De titel van de overweging

De komende vijf zondagen gaan de vijf preken over en vanuit de Broodrede. En het gaat dan niet alleen om een wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging, maar er is ook sprake van een wonderbare preekvermenigvuldiging die niet zomaar uit de lucht komt vallen. Je moet dan goed opletten over welk onderwerp rond brood je elke zondag iets aparts te zeggen hebt. Dat moet ook wel, want anders wordt iedere zondag een koekje van eigen deeg.
Brood is zo oud als de mens zelf. In de Bijbel wordt meer dan 250 keer over brood gesproken, nog afgezien van de combinaties met ongezuurde broden of toonbroden. Wat moeten we ons voorstellen als er in de Bijbel het woord ‘brood’ wordt genoemd? De eerste keer dat over brood gesproken wordt is eigenlijk in een vloek: ‘In het zweet Uws aanschijns zult gij brood verdienen’, nadat de mens in zonde gevallen en uit het Paradijs was verdreven. Hieruit zou je kunnen opmaken dat het brood ook vóór de paradijsvloek al bestond, zij het naar alle waarschijnlijkheid in een heel andere vorm dan die wij kennen.
Al vanaf de vroegste tijden bakte de mens al brood, maar geen enkele bakker zou vandaag dat soort brood aan z'n klanten kwijtraken. De graankorrels werden tussen stenen verbrijzeld en nog later werden daarvoor draaiende systemen gemaakt: ‘molens’. Het draaien van die molens was een zwaar karwei en was dan ook het werk van slaven en gevangenen. Jozef was malende in de molen en Simson zal het ook geweten hebben wat malen is. Malen was een minderwaardig, zelfs mensonterend werk. In Jesaja 47:2 vinden we dit nog eens extra onderstreept. Als Jesaja profeteert over de ondergang van de Babyloniërs: ‘Daal af en zit in het stof, dochter van Babel, zit op de aarde, neem de molen en maal meel!’
In de dagen van Abraham was slechts ongezuurd brood bekend. Pas een vierhonderd jaar later, ten tijde van Mozes, schijnt men in Egypte kennis gemaakt te hebben met zuurdeeg, of zuurdesem, gist: een stukje deeg dat gedurende enkele dagen was bewaard, bevatte gistingsorganismen en was in staat om het nieuwe deeg waarin het werd verwerkt geheel te doorzuren en luchtig te maken. Gedurende de laatste maaltijd in de nacht, voorafgaande aan de ochtend van de uitleiding en der bevrijding van het harde Egyptische slavenjuk, mochten de Israëlieten alleen ongezuurd brood eten. Het volk moest snel reisvaardig zijn, dus was er geen tijd om het deeg te laten rijzen. God verbood het gegiste brood: ze moesten ongezuurde koeken eten, in stukjes gebroken en gedompeld in een bittere saus: een maaltijd-in-haast. Zo moest het eerst Pascha worden gevierd, de voorbijgang van de engel des verderfs. De vrome Israëliet zal dan ook elk jaar weer dit Pascha hebben herdacht, etende zeven dagen lang het ongezuurde brood.
Er zijn ook een paar profeten in wier leven het brood een bijzondere rol speelde, zoals Elia, die, nadat hij koning Achab een goddelijke straf aankondigde, op goddelijk bevel naar de beek Krith ging, waar hem elke morgen en elke avond brood en vlees door de raven werd gebracht. Toen de beek Krith opgedroogd was ging Elia naar Zarfath bij Sidon, dus naar Fenicië. Daar ontmoet hij een weduwvrouw, die van haar laatste restje meel in de kruik en van het laatste drupje olie een koek, een plat brood, gaat bakken. Elia zegt deze vrouw dat zij eerst voor hem van dat restje een koek moet maken en daarna pas een voor haarzelf en haar zoon: ‘want de olie in de fles zal niet verminderen en het meel in de kruik zal niet ontbreken’, zolang zij Elia herbergt. Na de massale slachting op de berg Karmel is Elia zo moe, dat hij maar het liefst zou sterven. Maar hij wordt gewekt door een engel: ‘Sta op en eet’ en ziet aan zijn hoofdeinde was een koek - een broodkoek - op de kolen gebakken. Door de kracht van het wondervoedsel kon hij veertig dagen en veertig nachten vooruit! (1 Koningen 19)
Ook Elisa verricht broodwonderen. 2 Koningen 4:42-44 verhaalt dat met twintig gerstebroden en een handvol koren honderd mannen werden gevoed, een duidelijk voorteken van de Gróte Profeet Jezus Christus, die een nog veel groter broodwonder verrichtte. Tot tweemaal toe zelfs! In Matteüs 14 wordt ons verhaald hoe Hij van vijf broden en twee vissen niet minder dan vijfduizend mannen met vrouwen en kinderen spijzigt en dat men nog twaalf volle korven overhoudt. Even later in hoofdstuk 15 vindt de tweede vermenigvuldiging der broden plaats: nu zijn het zeven broden en weinige visjes die uitgedeeld worden door de leerlingen ‘en zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op het overschot der brokken, zeven volle manden. En die daar gegeten hadden, waren vierduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen’. Wat een onvoorstelbaar wonder!
Zo onderstreept Jezus dat Hij inderdaad het Brood Gods is dat uit de hemel nederdaalt en ‘dat de wereld het leven geeft’. ‘Ik ben dat levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven niet zoals in de woestijn waar de vaders zijn gestorven, ook nadat zij het manna hadden gegeten’. Hier betoont Christus zeggenschap ook over ons dagelijks voedsel, de Heer over het leven-van-alle-dag! En op de eerste dag der ongedesemde broden kwamen de leerlingen tot Jezus. Zo schrijft de evangelist Matteüs. ‘Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het Pascha te eten?’ Dan stelt Jezus het Heilig Avondmaal in en zo verhaalt ons de evangelist verder dat Hij ’het brood nam en het gezegend hebbende, brak Hij het en gaf het zijn leerlingen en zei: ‘Neemt, eet, dat is Mijn lichaam’.
Van het ware Brood-des-Levens schreef Jan Luijken in 1694:
O Schepper van het lieve brood,
tot voetsel van het tijdlick leeven.
Hoe heeft Uw mildtheidt ons genood
om ons U Self tot Brood te geeven.
O Brood dat uit den Heemel viel
versaadigd ghij dan onse ziel.
Voor hongerige mensen moeten de lezingen van vanmorgen klinken als een onrealistisch sprookje. Is de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging dan niet meer dan een ordinair sprookje? Ik denk dat de vier evangelisten ons toch iets anders willen zeggen. Zij vinden de gebeurtenis zo belangrijk dat we het verhaal tegen komen in alle vier de evangelies. En niet vier, maar zesmaal! En het gaat hierbij niet om een sprookje, maar het verhaal gaat vooral over Jezus die net uit de woestijn komt waar Hij 40 dagen en nachten heeft gevast, en waar Hij door de duivel is bekoord. "Als je de Zoon van God bent, verander deze stenen dan in brood!" En Jezus antwoordt dan: "Een mens leeft niet van brood alleen maar van elk woord dat voortkomt uit de mond van God.’ Jezus wil geen stuntman zijn die uit niets brood tevoorschijn tovert. Hij wil horen bij diegenen die dagelijks zweten en zwoegen voor hun brood.
Hij neemt 5 broden en 2 vissen, slaat zijn ogen ten hemel en breekt het voor hen die honger hebben. Alsof Hij wil zeggen: Ik wil helemaal bij jullie zijn... niet als voedsel dat vergaat, maar als brood voor 't eeuwige leven... en als je dat begrijpt, begint vanzelf het wonder van breken en delen wel. Pas als je durft delen met elkaar - in Gods naam - is Gods spel met de mensen mogelijk. Bovendien zegt Jezus iets heel belangrijks tegen zijn leerlingen: ‘Geven jullie ze maar te eten!" Het is alsof Hij het heeft tegen ons: honger in Afrika? Begin maar te delen! Dan is er voldoende voor Iedereen!
Hoe kom je aan zoveel brood? Andere vraag: hoe gaan wij om met onze welvaart? Op een zuinige, natellende manier? Houden we zelf zoveel mogelijk in reserve als een appeltje voor de dorst? Als je zo denkt, dan kun je het wonder wel vergeten. Dan lukt dat samen delen nooit! Maar je kunt ook als Jezus doen: "begin nou maar te breken en te delen! Dan zie je wel hoever je komt!" Maar –één ding is waar: alleen wat je deelt vermenigvuldig je.
Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
H. Augustinus