Fiat voluntas tua, sicut in cælo et in terra

Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel

WAT IS JE DRIJFVEER?

reliekschrijn 3 Koningen Keulen

Elk jaar zo rond 12 augustus, beste mede-parochianen, staren miljoenen mensen – ja, ik ook – verwachtingsvol naar de hemel. De aarde trekt dan door de Perseïden, een meteorenzwerm, een wolk van stofdeeltjes achtergelaten door een komeet. Als die deeltjes botsen met onze dampkring is het effect daarvan een kortstondige lichtstreep aan de hemel, beter bekend als een vallende ster. En hoewel we natuurlijk inmiddels beter weten, zal iedereen die zo’n ‘vallende ster’ ziet, een wens doen en bijgelovig niet vertellen wat die wens is, want anders komt hij niet uit!
De sterrenhemel heeft de mensheid altijd gefascineerd en het is dus heel slim van Mattheüs om daar gebruik van te maken wanneer hij de boodschap brengt van de Openbaring des Heren. Helaas is de evangelietekst van vandaag zó bekend dat we eigenlijk vergeten hem goed te lezen: we kijken alleen naar de Wijzen, maken er drie koningen van, noemen hen Caspar, Melchior en Balthasar, en bouwen er een kinderfeest omheen met een boon in een koek. Zo vergeten we dat er nog andere personages een rol spelen in het verhaal en dat de tekst niet losstaat van het Oude Testament, dat de gelovige jood Mattheüs als geen ander kende. Laten we daarom eens wat zorgvuldiger kijken naar de evangelietekst van vandaag.

In tegenstelling tot Lucas, heeft Mattheüs het in zijn geboorteverhaal niet over de stal van Bethlehem, en ook niet over de herders, maar over een andere kraamvisite. Zo’n 30 à 40 jaar na de kruisdood en de opstanding van Jezus kijkt hij terug op alle gebeurtenissen en componeert een verhaal om de betekenis van Kerstmis duidelijk te maken. Hij vertelt over Wijzen uit het Oosten die uit het heldere schitteren van een ster de geboorte van de Koning der Joden hebben afgeleid en op weg zijn gegaan om Hem te zoeken. De eerste die de Wijzen op hun reis tegengekomen, is koning Herodes. Uit zijn reactie op de vraag waar de pasgeboren koning der Joden te vinden is, kunnen we opmaken wat zijn drijfveer, zijn kompas in het leven is. Mattheüs zegt dat hij verontrust wordt (Mattheüs 2: 3). Waarom? Het staat er niet, maar het ligt voor de hand dat hij zich bedreigd voelt en die conclusie wordt later bevestigd, als we lezen over de kindermoord in Bethlehem. Blijkbaar is wereldse macht het enige wat Herodes interesseert en zodra er zich iemand aandient die een bedreiging voor zijn invloed en status lijkt te vormen, raakt hij in paniek en gaat over tot geweld. Angst beheerst zijn leven.

Niet alleen Herodes, maar ook heel Jeruzalem is verontrust. Hiermee bedoelt Mattheüs dat de gevestigde orde binnen het Joodse volk zich eveneens afvraagt wat er aan de hand is en in paniek begint te raken. Dat blijkt wel uit de reactie van de vertegenwoordigers van die gevestigde orde – de hogepriesters en schriftgeleerden: Herodes vraagt hun om advies, doet dus een beroep op hun kennis. Wellicht waren ze gevleid door het vertrouwen dat de koning in hen stelde, maar iets anders is veel opvallender en veelzeggender. Als geen ander kennen deze hogepriesters en schriftgeleerden de teksten van de profeten, ze weten dat Jesaja voorzien heeft dat een Zon zal opgaan over Jeruzalem en dat een licht de duisternis zal doorbreken (Jes. 60: 1-3). Sterker nog, ze citeren de tekst van Micha over de geboorte van Jezus in Bethlehem. Dan zou je toch verwachten, dat ze blij zijn, overlopen van vreugde, nu de Schrift vervuld lijkt te zijn. Maar niets van dat alles – ze reageren helemaal niet! Zouden ook zij bang zijn, voor verlies van aanzien, als ze niet meer nodig zijn om de Schriften te duiden? Voor de woede van Herodes? Of snappen ze niet, in weerwil van al hun geleerdheid, wat Micha werkelijk bedoelde: dat God op een onconventionele en verrassende manier de wereld van Zijn mensen binnenkomt? We zullen het nooit zeker weten, maar het feit dat Mattheüs hen laat zwijgen maakt wel duidelijk, dat hij niet veel met hen op heeft. Hij weet hoe het leven van Jezus verlopen is en laat zien dat kennis alleen niet voldoende is om de Messias te herkennen en te erkennen, om een volgeling van Hem te zijn.

En dan zijn er de Wijzen. Wat op zich al opvallend is: zij zijn géén joden. Ze komen uit het Oosten, zijn dus vreemdelingen. Met hoeveel ze waren, vermeldt de evangelist niet, maar ze brachten drie geschenken mee – goud, wierook en mirre. Zo komen we op drie, en kerkvaders hebben dit aantal geïnterpreteerd als zouden de Wijzen de vertegenwoordigers zijn van de drie toenmalig bekende werelddelen: Europa, Azië en Afrika – vandaar ook die ene zwarte koning. Het verhaal van de Wijzen wordt dan het verhaal van de hele niet-joodse wereld die Jezus komt aanbidden. We lezen dat terug bij Paulus, die aan de christenen van Efeze schrijft “dat de heidenen in Christus Jezus mede-erfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het evangelie.” (Ef. 3: 6) De vrome verbeelding heeft van de Wijzen ook mannen van verschillende leeftijd gemaakt: een jongen, een jongeman en een man van middelbare leeftijd. Symbolisch natuurlijk, want zo zijn alle generaties vertegenwoordigd. De geschenken die Mattheüs de Wijzen laat meebrengen, verwijzen naar de persoon van Jezus: het goud staat symbool voor Zijn koningschap, de wierook verzinnebeeldt het offer van de gelovigen, maar ook de aanwezigheid van God – daarmee geven de Wijzen aan dat zij in Jezus God herkennen en erkennen. De mirre is bedoeld als huldiging en als verwijzing naar Jezus’ kruisdood – mirre wordt immers ook gebruikt voor balseming. Op deze manier schildert Mattheüs de Wijzen als mensen naar Gods hart, maar ook bij hen laat hij zich niet uit over hun drijfveer. Wat zou die geweest kunnen zijn? Ik denk: innerlijke onrust. Ze nemen geen genoegen met wereldse macht, laten zich niet voorstaan op hun kennis, maar zijn op zoek naar blijvende vrede en rust. Zonder het zich bewust te zijn, zijn ze op zoek naar God. En daarbij staan ze open voor alles wat hen op het spoor kan zetten van de Levende, zelfs als dat betekent dat ze het onbekende tegemoet moeten gaan. Ze laten zich leiden door het Licht en komen behouden aan. En dat is wat hen onderscheidt van de andere hoofdrolspelers van vandaag: ze laten zich niet afschrikken door het nieuwe, het onverwachte en dat maakt hun verhaal actueel.

Aan het begin van het nieuwe jaar maken we allemaal goede voornemens en waarom zouden we ons dan niet eens afvragen, wat onze drijfveren daarbij zijn? Streven we naar een beter leven voor onszelf – een strakker lichaam, meer succes op het werk of meer gezellige uitjes? Of laten we ons leiden door het Licht dat Kerstmis ons gebracht heeft en gaan we erop uit, naar de ander toe, die het minder goed getroffen heeft? Als we ons niet laten weerhouden door het onverwachte, het vreemde, door dat wat moeilijk lijkt, omdat het tijd en energie kost om ons in die ander te verdiepen, zal ons leven op een bijzondere manier worden verrijkt.

Tot slot de vraag die wellicht ondertussen bij u opgekomen is: hoe zit het nou met het graf van Caspar, Melchior en Balthasar? Ze liggen toch in de Dom van Keulen, in die prachtige reliekschrijn, waar in de Middeleeuwen vele pelgrims naar toe trokken? Is dat dan allemaal onzin? Nee, er liggen inderdaad drie stoffelijke resten in de schrijn en onderzoek heeft aangetoond dat het om drie mannen van verschillende leeftijden gaat. Wellicht is de overlevering dus accurater dan we denken, maar de drie Wijzen zijn op de eerste plaats verhaalfiguren en in hoeverre Mattheüs historische gegevens heeft gebruikt, weten we niet zeker en is uiteindelijk ook niet interessant. De gedachte áchter zijn verhaal is wel van het grootste belang en in die zin zijn de drie Wijzen echt en springlevend. Dus als u ooit in Keulen komt, gaat u dan rustig naar die reliekschrijn, want Caspar, Melchior en Balthasar kunnen ons een voorbeeld zijn bij het volgen van de ster, bij het reageren op de roepstem van God. AMEN.


© Marjolein van Tooren