Fiat voluntas tua, sicut in cælo et in terra

Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel

TALITA KOEMI

talita koemi

Kent u het verschil tussen doodgaan en sterven? Van een dier zeggen we niet dat hij sterft. Een dier gaat dood. Een dier kan ook niet overlijden. Dat woord reserveren we voor mensen, want overlijden bete­kent letterlijk dat je 'over je lijden heen bent'. Een dier kan niet lijden, maar wel pijn heb­ben. Lijden betekent bewust doorleefde pijn. Zo sterft een dier niet maar gaat dood.

Mensen sterven. Dat vertelt niet alleen iets over wie er dood gaat, maar ook over de wijze waarop. Natuurlijk weten wij al sinds onze kinderjaren dat alles wat leeft een­maal wegglijdt in de dood. We weten dat mensen doodgaan, dagelijks, duizenden. Verkeersongevallen lees je ook dagelijks in de krant. Wij proberen vaak de sluier van de dood op te lichten. Waarzeggers worden geraadpleegd, spiritistische zittingen worden bijgewoond om contact te krijgen met overledenen. We verzamelen ge­tuigenissen van mensen die schijndood zijn geweest. Iedereen kent van die verhalen over helder verlichte tunnels waar je als mens doorheen moet.

Omdat we geen antwoord kunnen vinden op de vraag naar het waarom van de dood zoeken we vluchtwegen. We minimaliseren dan de dood. We zeggen dan luchtig tegen elkaar: Nou ja, de dood hoort nu eenmaal bij het leven. De dood hoort bij de kringloop van de natuur. Mensen moeten sterven om plaats te maken voor de volgende generatie'. Anderen hoor je zeggen: 'Je blijft voortleven in je werk en in je kinderen'. Zo troosten wij elkaar. Maar dit soort troost is maar een halve troost. Wat blijft er van je argumenten over als de dood jouw leven treft? Als je je vrouw, je kind, je vriend ziet wegglijden achter de grenzen van de dood?
Jezus minimaliseert de dood niet. Hij neemt de dood in zijn onverbiddelijke ernst. Hij huilt dikke tranen bij het graf van zijn vriend Lazarus. 'En zijn gemoed schoot vol', zegt het Evangelie. Wij mogen dan wel plaats moeten maken voor elkaar, maar wat gebeurt er als het lot kleine kinderen treft?

Als Jezus het kleine dochtertje van Jaïrus dood op het bed ziet liggen, dan zegt Hij tegen de omstanders: 'Waarom al dat gehuil en al dat geween, het kind slaapt alleen maar'. Een slechte vorm van troost? Eén kind in de geschiedenis uit de doden opge­wekt. Wat heeft dat nou voor zin? En dat kind is intussen tóch weer gestorven. Wat hebben wij aan zo'n verhaal, aan zo'n herinnering? Maar blijkbaar wil Jezus ons iets anders zeggen ; voor mensen die écht geloven heeft de dood zijn angel verloren.

Als de omstanders aan wanhoop ten prooi vallen, zegt Jezus: 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven'. Een goedkoop onrealis­tisch antwoord? Vergeet het maar. In de Olijvenhof schreeuwt Jezus zelf met het doodszweet op zijn voorhoofd zijn hartgrondig 'nee' tegen de dood. Want ook Jezus is niet ‘zomaar’ gestorven. Ook Hij heeft met het leven geworsteld en heeft het leven grondig liefgehad. Hij was bereid - ten dode toe - om zijn leven te delen en te breken. En daa­bij had Hij een nieuwe wereld voor ogen: een wereld waar geen lichamen meer worden gebroken en geen onschuldig bloed meer wordt vergoten en waar Hij iedereen, vlak voor zijn dood, de beker reikte, zelfs aan mensen die zijn bloed wel kon­den drinken!

In Jezus is duidelijk geworden dat van God de dood niet komt. Hij heeft mensen gemaakt om te leven. Leven is voor Hem: de dood zijn macht ontzeggen. Doodgaan is voor Hem: Opstaan bij het leven! Ook een kind dat sterft, nog jong van jaren, met nog eigenlijk zoveel toekomst voor zich. Dat vinden wij de tragiek van het jonge sterven. Komt dat niet omdat wij mensen het leven teveel uitdrukken in cijfers en getallen? Ook een kind geniet van het leven en lijdt er aan. Misschien leeft een kind zelfs dubbel omdat het nog zoveel van het leven mag ontdekken. Dat is ook met de dochter van Jaïrus het geval. Het verhaal spreekt haast voor zichzelf. Als Jezus het kind bij de hand heeft genomen, voegt Hij er toe: 'Geef dat kind maar wat te eten'. De omstanders staan te ginnegappen.
Dat waren ze bijna vergeten: dat wij tot stervens toe geroepen zijn om echt te leven.

En dat lazen wij ook in de eerste lezing, in het boek Wijsheid: ‘Niet God heeft de dood gemaakt en Hij schept geen behagen in de ondergang van de levenden. Hij heeft hen toch geschapen om te leven’ (Wijsheid 1:13)

© Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
Locatie: H. Augustinus